Oostbroek braakballen

Het heeft mij heel wat uurtjes gekost om de braakballen van 9 april uit te pluizen en de schedels op naam te brengen. Maar met de nieuwe Veldgids Europese zoogdieren (Twisk et al., 2010) is het gelukt. In totaal zaten er 335 schedels en kaakhelften in de partij, die op naam konden worden gebracht. Een klein aantal was te zeer beschadigd om er wat van te maken. Dit zat er in:

Schedelresten uit braakballen bosuil (copyright Dennis Wansink)

Alle schedelresten uit de braakballen op een rij (foto: Dennis Wansink)

bosmuis: 64
bosmuis (juveniel): 6
bruine rat: 8
dwergmuis: 1
rosse woelmuis: 30
veldmuis: 12
aardmuis: 4
aard- of veldmuis: 3
huisspitsmuis: 3
tweekleurige bosspitsmuis: 1
woelrat: 1
mol: 1
wezel: 1
vogel: 16

Het scheiden van de families (spitsmuizen, woelmuizen, ware muizen etc.) was niet zo moeilijk. Het werk zat vooral in het onderscheid tussen jonge bosmuis en dwergmuis en tussen de drie woelmuizen (rosse woelmuis, veldmuis en veldmuis). De lengte van de tandenrijen moet dan nauwkeurig worden gemeten en met een loep moet bij de woelmuizen het patroon van driehoekjes in de maalvlakken van de kiezen worden bekeken. Om er zeker van te zijn dat de dwergmuis echt een dwergmuis was en niet een jonge bosmuis moest de voorste kies getrokken worden, zodat het aantal wortels zichtbaar werd (2 grote en 1 kleine). En uiteraard zitten de onderkaken niet meer vast aan de schedel, zodat je echt elk botje moet bekijken om er zeker van te zijn dat je niet een soort over het hoofd ziet.

Het was een hele klus, maar heeft wel leuke en voor deze locatie nieuwe soorten opgeleverd. De vondst van de dwergmuis en de tweekleurige bosspitsmuis vind ik leuk. De tanden van bosspitsmuizen herken je snel (spitse tanden met een rood puntje). Om het verschil tussen de gewone bosspitsmuis en de tweekleurige bosspitsmuis te achterhalen moet je de achterkant van de onderkaak bekijken; er zitten daar wat verschillen in de botstructuur. De twee bosspitsmuizen zijn nog niet eens zo lang als twee aparte soorten erkend. In 1964 werd ontdekt dat er twee typen van bosspitsmuis bestaan die verschillen in de samenstelling van hun chromosoommateriaal: type A en type B. Bij de vorige zoogdieratlas (Broekhuizen et al., 1992) hield nog iedereen hier rekening mee en werden de meeste vondsten van bosspitsmuizen op één hoop gegooid. Uit de vondsten waarbij het onderscheid wel werd gemaakt kwam naar voren dat de verspreiding van de tweekleurige grotendeels samenvalt met de pleistocene (zand)gronden. Wat dat betreft valt mijn vondst binnen het bekende verspreidingsgebied. Maar toch leuk om weer een extra punt aan de kennis over deze soort toe te kunnen voegen.

Bij de woelrat speelt hetzelfde. Pas sinds 2005 wordt er onderscheid gemaakt tussen de woelrat en de molmuis. Daarvoor werd de molmuis als een ondersoort van de woelrat beschouwd. Het uiterlijk verschil tussen de twee is minimaal. De molmuis is iets kleiner dan de woelrat en heeft een kortere staart. Ook is de buik licht grijswit tot grijs. De buik van de woelrat is grijsbruin tot donkergrijs. Belangrijker is misschien dat het voorkeursleefgebied van woelratten oevers zijn, terwijl molmuizen verder verwijderd van water worden aangetroffen. In Nederland is de molmuis tot nu toe alleen in Limburg gevonden.

Toen ik de schedelresten vond dacht ik dat er een vleermuis tussen zat. Dat was dus niet het geval. Het was een mol. Mollen hebben net als vleermuizen zeer puntige kiezen en een lange hoektand, maar daar houdt de overeenkomst op want de schedels van vleermuizen zijn een stuk kleiner dan die van mollen. Het komt overigens wel eens voor dat een uil een vleermuis vangt. Bosuilen en rosse vleermuizen gebruiken bijvoorbeeld beide holten in bomen om in te rusten of jongen groot te brengen. Het zijn dus concurrenten van elkaar. Er bestaan filmbeelden van een bosuil die rosse vleermuizen van een holte probeert weg te jagen.

De vondst van de schedel van een wezel was uiteindelijk het meest bijzondere. Wezels zijn weliswaar niet zo groot (ze passen in muizenholletjes), maar het zijn toch roofdiertjes die zich fel kunnen verdedigen. De uil moet – denk ik – behoorlijk snel zijn om dit diertje te overmeesteren en niet te eindigen als in het lied van Laurie Anderson: “Like in that Annie Dillard book where she sees that eagle with the skull of a weasel hanging from its neck and here’s how it happened, listen. Eagle bites the weasel. Weasel bites back. They fly up to nowhere. Weasel keeps hangin’ on. Together forever.”

Waarnemingen van bosspitsmuizen in Zeeland (bron: JP Bekker et al. 2010)

Waarnemingen van bosspitsmuizen in Zeeland (bron: JP Bekker et al. 2010).

Waarnemingen van bosmuizen in Zeeland (bron: JP Bekker et al., 2010)

Waarnemingen van bosmuizen in Zeeland (bron: JP Bekker et al., 2010).

Je moet geluk hebben om zo veel en ook nog eens zo veel verschillende schedels bijeen te vinden. Meestal is de variatie in soorten minder groot. Voor onderzoek naar het voorkomen van kleine zoogdieren vormen braakballen van uilen echter een belangrijke informatiebron. In het onlangs verschenen boek Zoogdieren in Zeeland (Bekker et al., 2010) staat bij elke soort een diagram met de bronnen die gegevens over het voorkomen van de soort in deze provincie hebben opgeleverd. Daaruit blijkt dat voor bijna alle kleine zoogdiersoorten (spitsmuizen, woelmuizen en ware muizen) braakballen de belangrijkste gegevensbron waren (zie de twee voorbeelden hiernaast). Uitzondering was de rosse woelmuis die vaker met inloopvallen was aangetoond. Door braakballen te verzamelen en uit te pluizen krijg je met een geringe inspanning (als je het vergelijkt met onderzoek met inloopvallen) snel inzicht in het voorkomen van de kleine zoogdieren. Je weet echter nooit waar de uil de muizen heeft gevangen heeft. Dit zou best een kilometer verderop gebeurd kunnen zijn. Maar voor een globaal beeld, zoals het voorkomen van bosmuizen in de provincie Utrecht is dit niet erg. Dus ik ga wat vaker in Utrecht wandelen en braakballen verzamelen.

Referenties:

Bekker, J.P. et al. (red.), 2010. Zoogdieren in Zeeland; Fauna Zeelandica Deel 6. Zoogdierenwerkgroep Zeeland & Het Zeeuwse Landschap. ISBN 978-94-90592-03-5

Broekhuizen, S., B. Hoekstra, V. van Laar, C. Smeenk & J.B.M. Thissen (red.), 1992. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. KNNV Uitgeverij & Contactgroep Zoogdiereninventarisatie, Utrecht & Arnhem. ISBN 90-5011-051-7.

Twisk, P., A. van Diepenbeek & J.P. Bekker, 2010. Veldgids Europese zoogdieren. KNNV Uitgeverij, Zeist. ISBN 978-90-5011-260-4.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *